De kinderen in het dorp hoorde van een man van buiten gekomen. Hij betrok een kamer in de herberg en ieder moest, hoe toevallig, daar zijn om de herbergier iets, zéér belangrijks, te vertellen. Ondertussen keken zij met een schuin oog naar de vreemdeling, daar bij het haardvuur. De man had een opschrijfboek bij zich waarin hij onophoudelijk schreef tot in de late uren. En men wilde maar wat graag weten wat daar in geschreven werd.
Was het een gezant van de graaf die hier kwam controleren? Maar hij was nooit buiten te zien, misschien werd hij bijgepraat door mensen uit het dorp? De schout en zijn mannen, zij allen maakten gebruik van hun status en vulden hun zakken. En zo gebeurde het dat ieder in het dorp met argwaan naar deze man keek en elkaar niet meer vertrouwde. Want ieder kon een verrader zijn!
Op een van deze dagen liep de zoon van de herbergier naar de man toe om toch ’s te kijken wat deze aan het opschrijven was. In zijn kinderlijke onschuld klom hij op schoot en keek naar de letters in het boek dat hij toch niet kon lezen. ‘Wat staat daar?’, vroeg hij aan de man. ‘Daar staan alle verhalen die ik heb gehoord op mijn weg hiernaartoe, lief kind.’, sprak hij. ‘En wie heeft u dat verteld? ‘, vroeg het kind. ‘De dienaren van Moeder Natuur zien en horen alles. Zo heb je de Boskalle, zij zorgt voor het bos. De Waterkalle voor de vennen, meren en rivieren en de Vuurkalle voor vuur en vlam. Dan heb je nog de helpers voor de mens en zij zijn te vinden op alle belangrijke plekken. Zo zorgt de Akkerman voor de oogst, de Bruggeman voor de bruggen en de Karreman zorgt ervoor dat de reiziger en zijn last op de plaats van bestemming aankomt. Al deze hebben mij verhalen verteld waarover ik de eerste honderd jaar niet uitgeschreven ben.’, zo zei de man.
‘Maar zal ik jouw het verhaal vertellen over de schutter die niet kon richten?’
De Schutterende Schutter
‘Zo was er een Prins die met zijn leger oprukte naar de buitenzijde van het Koninkrijk, bedreigd door de strijdmacht van een vijand die graag zijn land uitgebreid wilde zien worden met dit Koninkrijk.In dit Prinselijk leger was er een schutter die zijn plek verdiend had door zijn adellijke komaf. Ofwel hij was de zoon van een markgraaf, zeer trouw aan de Koning. Maar deze knaap, Brono, was geen strijdlustig man, welnee, een dromer was hij. Als zijn beurs net zo gevuld zou zijn als zijn fantasie, dan was hij rijker dan alle koningen op deze wereld! Maar ja, zo was hij toch schutter in het leger maar schieten kon hij niet. Nou ja, hij kon vooral niet richten! En dat is toch wel van belang, denk je niet? Maar hij was op slinkse wijze door zijn tijd als schuttersleerling gekomen. Zijn kleine broer was meegekomen om de jongen te vergezellen. Deze verschanste zich achter een doel zodra zijn grote broer de schietkunst moest beoefenen. Nu had deze jonge broer wel een prima gevoel voor richting. Aan het suizen van de pijl wist hij waar hij terecht zou komen. En zo verplaatste hij het doel, zo ongemerkt mogelijk, en verdween de pijl… midden in de roos, voltreffer!
Maar nu, nu het er op aan komt, zou hij zijn land, het leger en zichzelf moeten verdedigen, en zijn broertje was er niet bij. Deze was nog veel te jong om te mogen dienen in het leger. In zijn gedachten probeerde hij een oplossing te vinden. Creatief als hij was wist hij altijd wel een uitweg te vinden. Maar hoe hij ook probeerde, een oplossing kwam er niet. Op een avond zette het leger een kamp op bij de oevers van een rivier dat diende als een grens tussen de verschillende landen. En daar, aan de overkant, daar hield zich het leger van de vijand op. Brono rilde bij de gedachten. Zou hij hier zijn einde vinden?
Die nacht, terwijl hij lag te slapen in het hoge gras, werd hij wakker van een vreemd soort gezang. Het was prachtig maar waar kwam het vandaan? Toen hij om zich heen keek zag hij twee prachtige wezens. Zo wit als het maanlicht en met gezang alsof zij de wind een stem gaven, ruisend en hoog, fluisterend maar krachtig. En deze stelde zich zelf maar voor want de schutter was zo verbaasd dat hij geen woord kon uitbrengen. ‘Dit is mijn lieve vriendin, de Boskalle en ik ben de Waterkalle. Wij zijn er om jou te verlossen van het lot dat jou is opgelegd. Kom mee met ons en morgen zul je de held van het land zijn!’ En zo geschiedde, deze jongeman liet zich gewillig meevoeren het bos in. Opmerkelijk, de anderen werden geeneens wakker van dit vreemde tafereel! Zo ging daar een schutter in gezelschap van twee, wit verlichte deernen het bos in…
De ochtend hierna maakte het leger zich op voor de strijd met het vijandige kamp. Nadat de verkenners de Prins hadden ingelicht waar de troepen zich nu precies bevonden werden de schutters in stelling gebracht. Wachten was op de eerste pijl. Hiervoor moest de bevelhebber toestemming geven. De Prins wilde wachten tot de vijand probeerde om de rivier over te steken terwijl de achterhoede bescherming bood door een stroom aan pijlen. Omdat de Prins wist waar deze soldaten zich bevonden had hij stiekem zijn belangrijkste schutters naar de zijkanten gestuurd, vanaf een heuveltje wachtten zij op wat komen ging.
Bij deze belangrijkste schutters hoorde ook Brono met zijn slecht richtingsgevoel. Maar ja, door zijn bedrog behoorde hij nu tot de elitetroepen. En zo zag men ineens beweging aan de overkant. De eerste vijandelijke soldaten bereikten de rivier, beschermt door een regen aan pijlen die beantwoord werden door de schutters aan de Prinselijke voorlinie. De Prins gaf de schutters aan de zijkanten het bevel de schieten op hun vijandelijke evenknieën, die zo al snel doorhadden waar hun belagers zich bevonden. En zo werd het een storm aan pijlen van weerszijden waardoor er uiteindelijk toch vijandelijke soldaten de oevers bereikten van het land dat zij wilden veroveren.
In deze stroom van pijlen viel niet op dat Brono geen enkele keer doel had getroffen. Nadat de voorraad aan pijlen uitgeput raakte wist de Prins niet wat te doen. Maar nu zou hij bijval krijgen van een van zijn eliteschutters. Brono lichtte de Prins in over zijn plan. De prins begreep er niets van, maar er was geen andere uitweg meer dus hij waagde het er maar op.
De Prins gaf, op aanraden van Brono, de manschappen de opdracht de vijandelijken die doorgedrongen waren door te laten, het bos in. De soldaten die nu de rivier overstaken moest men rustig laten gaan. Dit bevel werd met de grootste verbazing aangehoord maar ja, bevel is bevel. De vijandige soldaten begrepen niets van de weinige weerstand maar rukten op richting de bossen. Algauw merkten zij iets raars op. Het leek of de bomen voor hen zich een rij vormden. Ditzelfde gebeurde aan beide zijden! Alleen de weg terug was open. Steeds verder werden zij ingesloten en in hevige paniek kozen zij voor de terugkeer. Eenmaal terug bij de rivier vertelden zij hun makkers wat er gebeurt was. Deze hoorden het met spot aan. ‘Dat kan toch zeker niet! Bomen kunnen niet bewegen! We gaan door!!’, zei men. Maar het leek of ze niets verder kwamen in het water. Het veranderde in dikke stroop! En algauw raakte het gehele vijandige leger zo in paniek van deze griezeligheden dat het land aan de overkant wel vervloekt moest zijn. Het water liet hen maar gauw weer gaan, zolang ze maar de weg terug kozen. En dat wilde zij maar al te graag!
En zo keerde de rust terug. De Prins en zijn manschappen begrepen er net als hun vijanden niets van. Hoe wist Brono dat dit ging gebeuren, was hij een magiër? Men werd toch wel een beetje bang. ‘Heb geen angst want het is het werk van uw dienaren, Prins. Alleen zij zijn dienaren die u niet altijd kunt zien. Zij zorgen voor de natuur en voor de mens, zolang deze maar in vrede willen leven.’ En daar verschenen de Waterkalle en de Boskalle,in hoge uitzondering, om het verhaal van Brono te bevestigen. De Prins begreep dat deze wezens tot de hoogste macht toebehoorde, Moeder Aarde, en hij boog diep.
En zo werd Brono een held in zijn land en hoefde hij niet meer te dienen in het leger. En dat was geen straf zul je begrijpen! Zo werd hij de eerste Bosgraaf en samen met zijn broer, de Watergraaf, werkte hij samen met de lieve Kallen om voor het bos en de rivier te zorgen.
En als zij samen nog wel eens, voor de lol, een pijltje schieten in het bos, dan tekenen zij een roos op een boom die graag wil meespelen. Als Brono dan moet schieten doet de boom stiekem een stapje opzij… midden in de roos, voltreffer!
En dat was het eind van dit verhaal.’
Algauw wisten alle kinderen dat er een sprookjesverteller in de herberg bevond. Terwijl de grote mensen in het dorp zich druk maakten over bespieding en verraad togen de kinderen naar de herberg om naar deze spannende verhalen te luisteren.
En zo vertelde deze sprookjesverteller nog een verhaal die ik jullie niet wil onthouden.
Voddepor en de magische stadspomp
In een stad, een aantal heerlijkheden hier vandaan, stond op het plein een stadspomp. Iedere dag haalde men er water om te wassen, te poetsen en te koken. Zo ook een arme vrouw die zonder geld maar moest zien haar kinderen op te voeden. Een van die kinderen was een meisje dat Voddepor werd genoemd omdat ze zich in lompen moest kleden.
Voddepor keek op een avond door haar raampje naar buiten en zag iets voorbij de maan komen dat leek op een vrolijk zwaaiend mannetje. Voddepor zwaaide terug en riep het mannetje toe: ‘Kunt u ons wat voorspoed brengen, lief mannetje? We hebben bijna geen eten en geen kleding te dragen.’ Daarna ging Voddepor haar bedje in en sliep al gauw in, ondanks de kou en de honger…
De andere dag ging de arme vrouw wederom naar de stadspomp. Vergezeld van Voddepor die de volle emmer samen met haar steeds zwakkere moeder zou dragen. Eenmaal thuis maakten zij van het water gebruik om de meubeltjes en de vloer te poetsen. Maar wat er gebeurde was zo schokkend dat Voddepor en haar moeder als verstomd toekeken. De meubels die zij gepoetst hadden blonken als nieuw, wat zeg ik, de meubels waren nieuw! Nadat zij bekomen waren poetsen zij de vloer en ook deze vernieuwde onder hun ogen alsof het net gelegd was! En zo poetsen ze het gehele huis van binnen en buiten. Alsof er die avond een nieuw huis was gebouwd in de straat, iedereen kwam kijken en men begreep er niets van!
Voddepor en haar moeder vertelde niemand hoe het zo gekomen was. En ze wisten het zelf ook niet precies. Was het nu het water van de stadspomp dat betoverd was? Want wat was er anders aan de gang? En zo gingen zij de andere dag wederom richting de stadspomp. Eenmaal thuis wasten zij hun kleding in het water en als nieuw kwamen zij er uit! In prachtig nieuwe kleding spoedde zij zich wederom naar de pomp en men keek alweer verbaasd toe naar deze arme mensen die zich ineens van alles konden veroorloven. Hoe deden ze dat? Eenmaal thuis gekomen wierpen zij hun schrale worteltjes, uitgedroogde aardappelen en afgekloven kippebotjes in het gekookte water. En ja hoor: mooi, sappig oranje worteltjes, aardappeltjes zo gaar en kippenbouten zo vet. Iedere heer zou genoegen nemen met zo een maaltijd!
De arme vrouw vroeg aan Voddepor of zij iets begreep van wat hier gebeurde. ‘Gisteravond zag ik een mannetje in de maan. Omdat hij zo lief naar mij zwaaide heb ik hem gevraagd of hij iets kon doen aan onze armoede. Het lijkt erop dat hij hier gehoor aan gegeven heeft.’ , zei Voddepor. Hoe het ook zei, ze genoten ervan!
Maar men had in de stad wel door dat Voddepor en haar moeder wel erg vaak water uit de pomp haalden. En zo werd het gezinnetje steeds welvarender. Daarom pompten de andere stedelingen zoveel water uit de pomp dat er niets overbleef. En niemand werd welvarender, integendeel. Met het poetsen van de meubels werden de meubeltjes alleen maar ouder en vielen tenslotte uit elkaar. Bij het wassen werden de kleren valer en rafeliger en het eten tot moes gekookt in dit water. Men was ten einde raad.
Nu Voddepor zich in mooie kleding kon hullen en zij door de rijke voeding uitgroeide tot een prachtig, mooie vrouw werd zij opgemerkt door de heer van het land. Deze vroeg haar ten huwelijk en Voddepor heette vanaf toen Ravissante.
Ravissante kon al die rampspoed niet aanzien en zorgde ervoor dat de stedelingen een nieuwe stadspomp kregen, alle huisjes opgeknapt werden en men in nieuwe kleding gestoken werd. Aan eten zou het niemand meer ontbreken. Men had wel geleerd dat men niet zo gulzig naar andermans voorspoed moest kijken.
En wil je weten wie nou dat mannetje was die daar zo vrolijk zwaaiend in het licht van de maan te zien was? Het was een in de wind wapperend stukje vod, aan een waslijntje, bovenop een dak…
En zo kinderen komt er wederom een einde aan een mooi verhaal.’
Ondertussen begrepen de dorpelingen dat deze man spannende verhalen vertelde aan de kinderen en hij dus geen gezant van de graaf kon zijn. Nadien werd de man wijd en zijt bekend als ‘de Sprookjesverteller’ en zou hij nog vele verhalen opschrijven en vertellen. Nu heb jij er twee gelezen, vertel ze verder en gauw zul je weer nieuwe verhalen tegenkomen! Let maar op…