Member details

Sprookjesverteller

 
25 May, 14:19
Waar de bergen de hemel raken en de rivieren het land doorklieven, als barsten in het ijs, verdeelden zeven heren het land. Hierdoor ontstonden de Zeven Heerlijkheden.

Deze heren waren vrienden en zo was er een innige samenwerking tussen de gebieden.

De Heer van Dies wilde voor zijn land eersteklas landbouwwerktuigen en bestelde deze bij een ambachtsman, wonende in het land van Stiel.
Nadat deze werktuigen afgeleverd waren, merkten de boeren op dat deze mankementen vertoonden, waardoor zij hun werk niet konden uitvoeren.
Met deze mededeling vertrok de Heer van Dies naar het land van Stiel.

Aangekomen bij de burcht van zijn vriend werd hij ontvangen door de raadsman. Deze leidde de Heer naar zijn logeerplek maar stelde verder niemand op de hoogte. Behalve een meester die hij diende, in een land ver weg. Deze was uit op de verovering van de Zeven Heerlijkheden en wilde daarom heibel zaaien. Zo vertrok een ijlbode op een vurig paard, Ruyselaer geheten, om het nieuws aan dit kwade heerschap te melden.

Na een aantal uren wachten wilde de Heer van Dies wel ’s weten waarom zijn vriend zo lang op zich liet wachten. Algauw kwam hij erachter dat alleen de ruimten om zijn vertrek heen toegankelijk waren en verder kwam hij dus niet. Vreemd.
Zo kwam hij er ook achter dat ontsnappen via de ramen onmogelijk was. De muren waren hoog en glad. Er was geen mens in de omgeving te bekennen. Hij vroeg zich af waarom zijn vriend hem ondeugdelijke spullen leverde en daarbij opsloot in zijn burcht. Hij besloot maar te wachten, er restte weinig anders.

De Heer van Stiel echter, iets verderop in de burcht gezeten, wist niets af van dit gebeuren. De brief die zijn vriend hem gestuurd had, waarin zijn komst werd aangekondigd, was hem niet onder ogen gekomen.
Maar even verderop verkneukelde de raadsman zich over dit meest geslaagde plannetje. Over een tijdje zou men ontdekken dat de Heer van Dies niet is teruggekomen uit het land van Stiel. Men zou argwaan krijgen vanwege de ondeugdelijke werktuigen en deze vermissing. De andere vijf Heren zouden partij kiezen en een oorlog was geboren.

Na een dag arriveerde de ijlbode bij de kwade Heer, Pernak genaamd. Pernak hoorde dit met genoegen aan en stuurde de ijlbode terug naar het land van Stiel met verder instructies aan de boze raadsman.
Het paard Ruyselaer had het een en ander opgevangen en wilde iets doen om deze plannen tegen te houden. Nu was Ruyselaer zo snel dat de bliksemschichten onder zijn hoeven wegschoten.
Hij trappelde zo hard hij kon. De bliksemschichten schoten de hemel in en bereikte zo het land van Stiel.

Het paard Driest, Ruyselaers vriend, merkte dit op. De hemel lichtte fel op, het donderde en bliksemde alsof het einde der tijden nader kwam!
Ieder die buiten was zocht rap een beschutte plaats, behalve Driest.
Hij begreep dat het een boodschap was. De schichten en het gedonder... hij herkende er zijn vriend Ruyselaer in!
"Wat wil je mij toch vertellen?", zo dacht hij.

Vele mijlen verderop trappelde Ruyselaer vurig verder. Steeds diezelfde boodschap: "Bevrijd de Heer van Dies uit de rechtertoren. Het is een val van de raadsman!"
Onderwijl gaf de ijlbode Ruyselaer de sporen om zo snel mogelijk naar de burcht terug te keren.
De bliksem spatte onder de hoeven vandaan.
Ieder die het aanschouwde zou nooit eerder zo'n vurig paard gezien hebben! Het was een griezelig gezicht, zo bij het vallen van de nacht.

De kwade meester Pernak smeedde zijn plannetjes. Gauw zou hij de Zeven Heerlijkheden in bezit hebben. En zo alle zeven vaardigheden: De opvoeding,de zorg,het onderricht,de ambacht,de landbouw,de strijdkracht en het vertier.

Het land van Dies en Stiel kenden we al. Daar bedreef men de ambacht en de landbouw. In het land van Staeven zorgde men voor de opvoeding, in Kommer voor de zorg en Talud voor het onderricht. De strijdkrachten vond men in Armee en het vertier in Jole.
Deze landen werkten nauw samen en vormden zo een hechte samenleving.
Maar deze werd bedreigd, zonder het te weten.

Daar wilde Ruyselaer gauw verandering in brengen.

Nadat Driest begreep wat Ruyselaer wilde zeggen zond hij een bericht terug. Met zijn achterbenen schopte hij zo hard hij kon tegen een busje kruit, op de binnenplaats van de burcht. Door de enorme knal ontplofte het en zo ontstond een prachtig vuurwerk dat tot ver in de omtrek te zien was. En ook Ruyselaer zag het. Hij begreep dat het zijn vriend was en zo hield het onweer abrupt op.

Verschrikt van de knal, die het buskruit veroorzaakt had, kwam de heer van Stiel naar buiten.
"Wat is hier gaande?", zo riep hij luid. Voor hij het zelf door had greep Driest hem bij zijn broek en slingerde hem op zijn paardenrug.
Driest stormde de burcht in, de trappen op, langs verbijsterde wachters en bedienden. De Heer van Stiel was zo beduusd van de kracht van het beest dat hij zich maar liet leiden en hield zich stevig vast.
Driest spoedde zich naar de rechtervleugel, en stopte voor de toren waar de Heer van Dies opgesloten was.
"Waarvoor breng je mij hier?", vroeg de Heer van Stiel. Driest schopte hard tegen de torendeur waardoor deze uit het slot sprong.
En daar keken de twee bevriende Heren elkaar aan. "Wat doe jij hier?", vroeg de Heer van Stiel. "Nou, ik zou het niet weten. Al meer dan een dag ben ik hier opgesloten en ik begreep er niks van. Het leek mij vreemd dat jij hiertoe bevolen had", zo zei de Heer van Dies.
"Daar heb ik ook geen bevel voor afgegeven. Wie heeft jou ontvangen?"
En zo begrepen de Heren al snel dat de raadsman hier een gemeen spel speelde.

De raadsman vernam het rumoer en spoedde zich naar de rechtervleugel. Aldaar zag hij wat er gebeurd was en begreep dat dit zijn einde zou betekenen.
Toch wilde hij niet vertellen waarom hij deze snode plannen gemaakt had. En zo werd hij gestraft en naar een cel gebracht.

Niet veel later arriveerde de ijlbode. Deze werd gevraagd waar hij geweest was en waarom. Aangezien dit heerschap aan de raadsman beloofd had te zwijgen werd ook deze in de kerker gesmeten.
Maar Ruyselaer en Driest wilden de Heren duidelijk maken wie hier achter zat.
Ruyselaer nam de heer van Dies op zijn rug en Driest de heer van Stiel. En zo vertrokken zij, met bij zich een flink leger, opgeleid in het land van Armee.

Ongeveer een driekwart dag later kwamen zij aan bij het land van Pernak.
Pernak begreep al snel dat zijn plan mislukt moest zijn en gaf zijn leger opdracht aan te vallen.
Aangezien het leger van Pernak talrijker was zou een nederlaag snel volgen.
Maar men had niet bedacht dat Ruyselaer en Driest een plan zouden bedenken die hen allen zou redden.
Ruyselaer trappelde zo hard dat onder zijn hoeven de bliksemschichten wederom de hemel inschoten maar nu richting het land van Pernak. De bliksem sloeg in de harnassen van de vijandige ridders en de ijzeren kanonnen die op de burcht geposteerd stonden. Driest wist zich in deze chaos naar de vijandige kant te begeven en ontdekte het arsenaal dat vol stond met buskruit. Om niet zelf opgeblazen te worden moest hij iets bedenken.
Hij sleepte een vaatje buskruit mee naar buiten, legde het op een afstandje neer en schopte er zo hard tegen aan dat het met een enorme vaart door de deur van het arsenaal vloog. Bam!!!
Door de enorme klap ontstond er een enorme explosie waarbij alles in de omgeving vernietigd werd.

Toch wist Pernak te ontkomen maar Ruyselaer had het al gezien.
Snel haalde Ruyselaer het paard van Pernak in en wist zijn mededier ervan te overtuigen dat hij een slecht heerschap op zich meedroeg. En zo keerde het dier met zijn snode meester om, die hier niets van begreep. "Wat gebeurt hier?", zo riep hij. Maar hij kon weinig doen want de beide paarden liepen zo hard dat er geen houden meer aan was. Pernak werd gearresteerd en in de kerker geworpen, alwaar hij nooit meer uit zou komen.

En zo vierden de Zeven Heerlijkheden de volgende dagen een enorm feest waarbij Ruyselaer en Driest werden geëerd. Zij werden toegevoegd op het wapen van de Zeven Heerlijkheden.

En nu, als het mocht bliksemen of je ziet opeens vuurwerk aan de hemel, misschien, misschien waarschuwen Ruyselaer en Driest jou wel voor iets!



17 Feb, 14:24
In een land waar de beekjes stroomden alsof zij geen enkele haast kenden en de bomen ruisten alsof zij speelden met de wind, daar… daar woonde zij, Vermiljoen.
Vermiljoen was een meisje. Een bijzonder meisje. Vermiljoen was een meisje met zulk rood haar dat men haar de naam gaven waar zij nu zo trots op was. Tenslotte kende niemand een ander meisje met zo een naam.

Vermiljoen was iedere dag te vinden langs de beekjes, alwaar zij zingend de ruisende bomen tekende en wat lekkere zaden meebracht voor de vogels.
Op een dag kwam haar vader haar onverwacht halen.
“Vader, waarvoor ben je hier? Is er iets met moeder gebeurd?”
“Nee, mijn lieve Vermiljoen, de Groothertog heeft gevraagd alle meisjes in het land naar het hof te sturen. De Prins van het Grote Keizerrijk zoekt een bruid. Morgenochtend moet je klaar zijn voor vertrek. Maar ik mag verheugd zijn als ik je snel zie wederkeren. Een Keizerin als dochter is een bijzonderheid maar ik zou je niet willen missen.”
“Maar vader. Maak u niet zo druk. Ik zal gaan en zo snel mogelijk wederkeren. Ik zeg het u!’

De andere ochtend vertrok Vermiljoen samen met alle meisjes uit de omgeving.
Onderweg vroeg een meisje aan Vermiljoen hoe zij toch aan dat mooie, rode haar kwam. “Zo ben ik geboren. Ik heb er niets voor gedaan.”
“Als ik net zulk mooi haar als jij zou hebben dan wil de Prins wel met mij trouwen. “
“Van mij mag je, ik zou het liefst weer willen wederkeren naar mijn ouders en iedere dag de vogels weer zien bij het beekje.”
Samen verzonnen zij hoe ze toch het haar van dat meisje kleuren konden.
“Daarvoor heb ik wel een idee!” zei plots de man die de kar bestuurde. Ze stopten onderweg en de andere meisjes keken vol verbazing toe.
De man vroeg aan Vermiljoen of hij een haar uit het hoofd mocht trekken. Vermiljoen knikte en de man trok een haar uit.
Hij nam de haar en vermengde het met wat grond dat langs de weg te vinden was.
De meisjes begrepen er niets van.
Tenslotte voegde hij wat helder water uit een beekje toe en maalde alles in een meegebracht kommetje.
Onvoorstelbaar maar, het goedje veranderde in rode verf!
De man pakte een kwastje en smeerde het haar van het meisje in. Niet veel later had het meisje hetzelfde mooie, rode haar als Vermiljoen!
Alle andere meisjes werden jaloers en wilden ook! Iedereen wilde in aanmerking komen als Prinsessenbruid.
En zo gebeurde het, de man vroeg Vermiljoen om meer haren uit te trekken en aanstonds vervoerde hij een kar vol met rode meisjes. Op weg naar het Hof.

Aangekomen bij het Hof wisten zij niet wat ze zagen! Honderden meisjes stonden daar, zenuwachtig te popelen om zich aan de Prins te presenteren.
Iedereen was op haar mooist. Alleen die meisjes van het vergelegen land, wat zagen ze er armoedig uit! Geen mooie, glinsterende jurken, gelakte schoentjes en verzorgde nagels! Welnee, maar wel allen rood.
“Het scheelt, zo kun je ze tenminste van veraf zien aankomen. Net vuurtorens!” En alle meisjes die van de steden kwamen moesten zo hard lachen dat de rode meisjes nóg roder kleurden… van schaamte.
Vermiljoen had spijt van dit alles. Wist zij veel, ze had zich nooit druk gemaakt over de kleur van heur haar. Tenslotte vond men thuis dat het prachtig was. Maar dat was hier niet het geval. Wel wist ze dat geen van hen een kans zou maken als Prinsessenbruid. Wat haar betreft vond ze het wel prima.
De Prins was na zo’n dag enorm moe geworden. Hij was naar het Groothertogdom gekomen om een bruid te vinden maar het was allemaal hetzelfde. Protserige, en zelfingenomen meisjes. Hij walgde ervan. “Het lijkt wel of hier geen elegant en ingetogen dame te vinden is. Een Prinsessenbruid moet betoverend en mysterieus zijn! “, zo dacht hij.
De nacht viel en er waren zoveel meisjes dat zij zich onmogelijk allen in één dag aan de Prins konden voorstellen.
“Groothertog”, zei de Prins, “als ik morgen geen bruid kan vinden uit uw land dan zal ik naar een andere heerlijkheid reizen waar wellicht mooiere meisjes zijn!”
De Groothertog schrok! Dit zou zijn imago én dat van zijn land schaden. Hij moest vóór de dageraad een meisje vinden dat mooi genoeg was om een Prinsessenbruid te zijn.
Vermiljoen en de andere meisjes moesten overnachten in een vrijgemaakte stal.
Maar die stadse doerakken wilden die dorpse roodharen wel ’s laten merken dat ze niet hoefden te verwachten dat ze een Prinselijke kans maakten.
Ze bedachten een plannetje.

Die ochtend verzamelden Vermiljoen en de andere meisjes zich om de waterpomp. Ieder had een eigen emmertje om te vullen. Wanneer ieder haar emmertje had gevuld keerde zij naar de stal terug om zich te wassen en te kleden. Maar wat was dit! Ieder ontdekte tot grote schrik dat ze niet schoner werden van het water maar bruin zagen en riekten als naar gemest land!
De stadse meiden rolden over de grond van de pret! “Hahaha”, lachte er één, ”om jullie een beetje thuis te laten voelen! “
“Kijk nou, een stapel Roodbontjes in de stal!” Ze wisten niet waar het te zoeken van het lachen.
Op dat moment toog de Groothertog gefrustreerd langs de stal. Hij had geen bijzonder meisje kunnen vinden. “Dan geef ik het op. Ik ben mislukt. Mijn land zal ik moeten afstaan vermoed ik. Wat een ellende!”
Toen hij zag wat er gebeurd was werd de Groothertog woest! “Jullie zijn niet alleen ongeschikt als Prinsessenbruiden, jullie zijn een schande voor het land! Scheer jullie allen weg, terug naar jullie vaders en moeders, vertel ze maar wat jullie gedaan hebben!”
Hij ontfermde zich over de meisjes in de stal. “Mijn spijt voor deze gebeurtenis. Kom mee naar het Hof. Daar kunnen jullie jezelf wassen. De bedienden brengen jullie schone kleren.”
Hij realiseerde dat deze meisjes nu de enigen waren die aan de Prins voorgesteld konden worden.

Zoals gezegd, de meisjes wasten zich in het Hof en nadat zij zich hadden afgedroogd mochten ze de mooiste kleren aan die ze ooit aanschouwd hadden. Wat een prachtige jurken!
Maar Vermiljoen zag iets wat de andere meisjes niet door hadden. “Hé, kijk ’s naar elkaar. Wat zien jullie?”
“Ja, Vermiljoen. We hebben prachtige jurken. Oh wat zijn we mooi!’
“Vermiljoen! Ik zie het! We zijn niet rood meer! “
Om zich van de koeienmest te ontdoen hadden zij ook hun haren moeten wassen. En... de verf was eruit gegaan! Nu was alleen Vermiljoen nog roodharig.
“Maar nu zijn we allen mooi. Deze jurken geven ons allen een kans op een Keizerlijke bruiloft!

De Prins was opgestaan en werd gewaar van gekeuvel in de gang. Hij kleedde zich en ging op de stemmetjes af. Wat hij zag waren allen mooie meisjes in prachtige gewaden.
“Zo, en wie zijn jullie? Zijn jullie… jonkvrouwen wellicht?” vroeg de Prins.
“Keizerlijke Hoogheid! Nee, wij zijn meisjes van het land, met uw welnemen.”, zei er eentje.
“Nou, dan zien jullie er prachtig uit. Mijn complimenten!” En nam zijn kroontje af.
Plots viel zijn oog, dwars door het kroontje heen, op een mooi, oh zo een mooi meisje! Een meisje met rood haar. Hij bewonderde de prachtig oranje gloed erin. Keizerlijk mooi, dacht de Prins. “Met haar wil ik trouwen!” riep hij onbedeesd uit.
“Eh, met wie, Keizerlijke Hoogheid?” vroeg de Groothertog. “Met haar! Hoe heet jij? “, vroeg de Prins aan Vermiljoen.
“Keizerlijke Hoogheid, mijn naam is Vermiljoen.”, zei ze met een trillende stem. Ze begreep dat het om haar ging en voelde al aan wat er komen zou. De angst van haar vader zou uitkomen.
De Prins knielde voor haar neer en vroeg haar: “Vermiljoen, wil jij mijn Prinses worden?”
“Mijn Keizerlijke Hoogheid. Uw voorstel streelt mij maar ik zou mijn vader en moeder zo missen. Net als de beekjes en de vogeltjes in het land. Dat zou mij verdrietig maken, met uw welnemen.”
“Maar Vermiljoen. Als ik jou beloof dat jouw ouders in het Keizerlijk paleis mogen wonen, en ik jou zeg dat er zoveel landgoed is waar de beken prachtig stromen en de vogels hun mooiste liederen zingen. Dan, wil je dan met me trouwen?’
Vermiljoen keek om zich heen en zag de vertederde gezichten van de meisjes en de Groothertog, die wist dat dit zijn redding zou zijn. “Oh wat een geschenk dat zo’n meisje in mijn land gevonden is!” dacht hij.
Vermiljoen kon niet meer anders dan ja zeggen. En iedereen was ontroerd.
Die avond werden de vader en moeder van Vermiljoen naar het Hof gebracht. Er volgde een uitbundig feest waarover tot ver in de steden verteld werd. De meisjes aldaar begrepen er niets van. Zo’n rooie landsdochter, wat moest de Prins daar nu mee?

En jaren later zit Keizerin Vermiljoen iedere dag bij de prachtige beek, niet ver van het paleis. Samen met haar Keizersdochter die prachtig paars-rood haar heeft gekregen. Daarom is zij... Karmijntje genoemd.
In de avond, als de zon onder gaat en een prachtig rode gloed uitspreidt over het Keizerrijk, dan weet men, dáár in het vergelegen land, dat de Keizerin hen een lieve groet brengt.
21 Jan, 22:06
De kinderen in het dorp hoorde van een man van buiten gekomen. Hij betrok een kamer in de herberg en ieder moest, hoe toevallig, daar zijn om de herbergier iets, zéér belangrijks, te vertellen. Ondertussen keken zij met een schuin oog naar de vreemdeling, daar bij het haardvuur. De man had een opschrijfboek bij zich waarin hij onophoudelijk schreef tot in de late uren. En men wilde maar wat graag weten wat daar in geschreven werd.
Was het een gezant van de graaf die hier kwam controleren? Maar hij was nooit buiten te zien, misschien werd hij bijgepraat door mensen uit het dorp? De schout en zijn mannen, zij allen maakten gebruik van hun status en vulden hun zakken. En zo gebeurde het dat ieder in het dorp met argwaan naar deze man keek en elkaar niet meer vertrouwde. Want ieder kon een verrader zijn!
Op een van deze dagen liep de zoon van de herbergier naar de man toe om toch ’s te kijken wat deze aan het opschrijven was. In zijn kinderlijke onschuld klom hij op schoot en keek naar de letters in het boek dat hij toch niet kon lezen. ‘Wat staat daar?’, vroeg hij aan de man. ‘Daar staan alle verhalen die ik heb gehoord op mijn weg hiernaartoe, lief kind.’, sprak hij. ‘En wie heeft u dat verteld? ‘, vroeg het kind. ‘De dienaren van Moeder Natuur zien en horen alles. Zo heb je de Boskalle, zij zorgt voor het bos. De Waterkalle voor de vennen, meren en rivieren en de Vuurkalle voor vuur en vlam. Dan heb je nog de helpers voor de mens en zij zijn te vinden op alle belangrijke plekken. Zo zorgt de Akkerman voor de oogst, de Bruggeman voor de bruggen en de Karreman zorgt ervoor dat de reiziger en zijn last op de plaats van bestemming aankomt. Al deze hebben mij verhalen verteld waarover ik de eerste honderd jaar niet uitgeschreven ben.’, zo zei de man.
‘Maar zal ik jouw het verhaal vertellen over de schutter die niet kon richten?’

De Schutterende Schutter

‘Zo was er een Prins die met zijn leger oprukte naar de buitenzijde van het Koninkrijk, bedreigd door de strijdmacht van een vijand die graag zijn land uitgebreid wilde zien worden met dit Koninkrijk.In dit Prinselijk leger was er een schutter die zijn plek verdiend had door zijn adellijke komaf. Ofwel hij was de zoon van een markgraaf, zeer trouw aan de Koning. Maar deze knaap, Brono, was geen strijdlustig man, welnee, een dromer was hij. Als zijn beurs net zo gevuld zou zijn als zijn fantasie, dan was hij rijker dan alle koningen op deze wereld! Maar ja, zo was hij toch schutter in het leger maar schieten kon hij niet. Nou ja, hij kon vooral niet richten! En dat is toch wel van belang, denk je niet? Maar hij was op slinkse wijze door zijn tijd als schuttersleerling gekomen. Zijn kleine broer was meegekomen om de jongen te vergezellen. Deze verschanste zich achter een doel zodra zijn grote broer de schietkunst moest beoefenen. Nu had deze jonge broer wel een prima gevoel voor richting. Aan het suizen van de pijl wist hij waar hij terecht zou komen. En zo verplaatste hij het doel, zo ongemerkt mogelijk, en verdween de pijl… midden in de roos, voltreffer!
Maar nu, nu het er op aan komt, zou hij zijn land, het leger en zichzelf moeten verdedigen, en zijn broertje was er niet bij. Deze was nog veel te jong om te mogen dienen in het leger. In zijn gedachten probeerde hij een oplossing te vinden. Creatief als hij was wist hij altijd wel een uitweg te vinden. Maar hoe hij ook probeerde, een oplossing kwam er niet. Op een avond zette het leger een kamp op bij de oevers van een rivier dat diende als een grens tussen de verschillende landen. En daar, aan de overkant, daar hield zich het leger van de vijand op. Brono rilde bij de gedachten. Zou hij hier zijn einde vinden?
Die nacht, terwijl hij lag te slapen in het hoge gras, werd hij wakker van een vreemd soort gezang. Het was prachtig maar waar kwam het vandaan? Toen hij om zich heen keek zag hij twee prachtige wezens. Zo wit als het maanlicht en met gezang alsof zij de wind een stem gaven, ruisend en hoog, fluisterend maar krachtig. En deze stelde zich zelf maar voor want de schutter was zo verbaasd dat hij geen woord kon uitbrengen. ‘Dit is mijn lieve vriendin, de Boskalle en ik ben de Waterkalle. Wij zijn er om jou te verlossen van het lot dat jou is opgelegd. Kom mee met ons en morgen zul je de held van het land zijn!’ En zo geschiedde, deze jongeman liet zich gewillig meevoeren het bos in. Opmerkelijk, de anderen werden geeneens wakker van dit vreemde tafereel! Zo ging daar een schutter in gezelschap van twee, wit verlichte deernen het bos in…
De ochtend hierna maakte het leger zich op voor de strijd met het vijandige kamp. Nadat de verkenners de Prins hadden ingelicht waar de troepen zich nu precies bevonden werden de schutters in stelling gebracht. Wachten was op de eerste pijl. Hiervoor moest de bevelhebber toestemming geven. De Prins wilde wachten tot de vijand probeerde om de rivier over te steken terwijl de achterhoede bescherming bood door een stroom aan pijlen. Omdat de Prins wist waar deze soldaten zich bevonden had hij stiekem zijn belangrijkste schutters naar de zijkanten gestuurd, vanaf een heuveltje wachtten zij op wat komen ging.
Bij deze belangrijkste schutters hoorde ook Brono met zijn slecht richtingsgevoel. Maar ja, door zijn bedrog behoorde hij nu tot de elitetroepen. En zo zag men ineens beweging aan de overkant. De eerste vijandelijke soldaten bereikten de rivier, beschermt door een regen aan pijlen die beantwoord werden door de schutters aan de Prinselijke voorlinie. De Prins gaf de schutters aan de zijkanten het bevel de schieten op hun vijandelijke evenknieën, die zo al snel doorhadden waar hun belagers zich bevonden. En zo werd het een storm aan pijlen van weerszijden waardoor er uiteindelijk toch vijandelijke soldaten de oevers bereikten van het land dat zij wilden veroveren.
In deze stroom van pijlen viel niet op dat Brono geen enkele keer doel had getroffen. Nadat de voorraad aan pijlen uitgeput raakte wist de Prins niet wat te doen. Maar nu zou hij bijval krijgen van een van zijn eliteschutters. Brono lichtte de Prins in over zijn plan. De prins begreep er niets van, maar er was geen andere uitweg meer dus hij waagde het er maar op.
De Prins gaf, op aanraden van Brono, de manschappen de opdracht de vijandelijken die doorgedrongen waren door te laten, het bos in. De soldaten die nu de rivier overstaken moest men rustig laten gaan. Dit bevel werd met de grootste verbazing aangehoord maar ja, bevel is bevel. De vijandige soldaten begrepen niets van de weinige weerstand maar rukten op richting de bossen. Algauw merkten zij iets raars op. Het leek of de bomen voor hen zich een rij vormden. Ditzelfde gebeurde aan beide zijden! Alleen de weg terug was open. Steeds verder werden zij ingesloten en in hevige paniek kozen zij voor de terugkeer. Eenmaal terug bij de rivier vertelden zij hun makkers wat er gebeurt was. Deze hoorden het met spot aan. ‘Dat kan toch zeker niet! Bomen kunnen niet bewegen! We gaan door!!’, zei men. Maar het leek of ze niets verder kwamen in het water. Het veranderde in dikke stroop! En algauw raakte het gehele vijandige leger zo in paniek van deze griezeligheden dat het land aan de overkant wel vervloekt moest zijn. Het water liet hen maar gauw weer gaan, zolang ze maar de weg terug kozen. En dat wilde zij maar al te graag!
En zo keerde de rust terug. De Prins en zijn manschappen begrepen er net als hun vijanden niets van. Hoe wist Brono dat dit ging gebeuren, was hij een magiër? Men werd toch wel een beetje bang. ‘Heb geen angst want het is het werk van uw dienaren, Prins. Alleen zij zijn dienaren die u niet altijd kunt zien. Zij zorgen voor de natuur en voor de mens, zolang deze maar in vrede willen leven.’ En daar verschenen de Waterkalle en de Boskalle,in hoge uitzondering, om het verhaal van Brono te bevestigen. De Prins begreep dat deze wezens tot de hoogste macht toebehoorde, Moeder Aarde, en hij boog diep.
En zo werd Brono een held in zijn land en hoefde hij niet meer te dienen in het leger. En dat was geen straf zul je begrijpen! Zo werd hij de eerste Bosgraaf en samen met zijn broer, de Watergraaf, werkte hij samen met de lieve Kallen om voor het bos en de rivier te zorgen.
En als zij samen nog wel eens, voor de lol, een pijltje schieten in het bos, dan tekenen zij een roos op een boom die graag wil meespelen. Als Brono dan moet schieten doet de boom stiekem een stapje opzij… midden in de roos, voltreffer!

En dat was het eind van dit verhaal.’

Algauw wisten alle kinderen dat er een sprookjesverteller in de herberg bevond. Terwijl de grote mensen in het dorp zich druk maakten over bespieding en verraad togen de kinderen naar de herberg om naar deze spannende verhalen te luisteren.
En zo vertelde deze sprookjesverteller nog een verhaal die ik jullie niet wil onthouden.

Voddepor en de magische stadspomp

In een stad, een aantal heerlijkheden hier vandaan, stond op het plein een stadspomp. Iedere dag haalde men er water om te wassen, te poetsen en te koken. Zo ook een arme vrouw die zonder geld maar moest zien haar kinderen op te voeden. Een van die kinderen was een meisje dat Voddepor werd genoemd omdat ze zich in lompen moest kleden.
Voddepor keek op een avond door haar raampje naar buiten en zag iets voorbij de maan komen dat leek op een vrolijk zwaaiend mannetje. Voddepor zwaaide terug en riep het mannetje toe: ‘Kunt u ons wat voorspoed brengen, lief mannetje? We hebben bijna geen eten en geen kleding te dragen.’ Daarna ging Voddepor haar bedje in en sliep al gauw in, ondanks de kou en de honger…
De andere dag ging de arme vrouw wederom naar de stadspomp. Vergezeld van Voddepor die de volle emmer samen met haar steeds zwakkere moeder zou dragen. Eenmaal thuis maakten zij van het water gebruik om de meubeltjes en de vloer te poetsen. Maar wat er gebeurde was zo schokkend dat Voddepor en haar moeder als verstomd toekeken. De meubels die zij gepoetst hadden blonken als nieuw, wat zeg ik, de meubels waren nieuw! Nadat zij bekomen waren poetsen zij de vloer en ook deze vernieuwde onder hun ogen alsof het net gelegd was! En zo poetsen ze het gehele huis van binnen en buiten. Alsof er die avond een nieuw huis was gebouwd in de straat, iedereen kwam kijken en men begreep er niets van!
Voddepor en haar moeder vertelde niemand hoe het zo gekomen was. En ze wisten het zelf ook niet precies. Was het nu het water van de stadspomp dat betoverd was? Want wat was er anders aan de gang? En zo gingen zij de andere dag wederom richting de stadspomp. Eenmaal thuis wasten zij hun kleding in het water en als nieuw kwamen zij er uit! In prachtig nieuwe kleding spoedde zij zich wederom naar de pomp en men keek alweer verbaasd toe naar deze arme mensen die zich ineens van alles konden veroorloven. Hoe deden ze dat? Eenmaal thuis gekomen wierpen zij hun schrale worteltjes, uitgedroogde aardappelen en afgekloven kippebotjes in het gekookte water. En ja hoor: mooi, sappig oranje worteltjes, aardappeltjes zo gaar en kippenbouten zo vet. Iedere heer zou genoegen nemen met zo een maaltijd!
De arme vrouw vroeg aan Voddepor of zij iets begreep van wat hier gebeurde. ‘Gisteravond zag ik een mannetje in de maan. Omdat hij zo lief naar mij zwaaide heb ik hem gevraagd of hij iets kon doen aan onze armoede. Het lijkt erop dat hij hier gehoor aan gegeven heeft.’ , zei Voddepor. Hoe het ook zei, ze genoten ervan!
Maar men had in de stad wel door dat Voddepor en haar moeder wel erg vaak water uit de pomp haalden. En zo werd het gezinnetje steeds welvarender. Daarom pompten de andere stedelingen zoveel water uit de pomp dat er niets overbleef. En niemand werd welvarender, integendeel. Met het poetsen van de meubels werden de meubeltjes alleen maar ouder en vielen tenslotte uit elkaar. Bij het wassen werden de kleren valer en rafeliger en het eten tot moes gekookt in dit water. Men was ten einde raad.
Nu Voddepor zich in mooie kleding kon hullen en zij door de rijke voeding uitgroeide tot een prachtig, mooie vrouw werd zij opgemerkt door de heer van het land. Deze vroeg haar ten huwelijk en Voddepor heette vanaf toen Ravissante.
Ravissante kon al die rampspoed niet aanzien en zorgde ervoor dat de stedelingen een nieuwe stadspomp kregen, alle huisjes opgeknapt werden en men in nieuwe kleding gestoken werd. Aan eten zou het niemand meer ontbreken. Men had wel geleerd dat men niet zo gulzig naar andermans voorspoed moest kijken.
En wil je weten wie nou dat mannetje was die daar zo vrolijk zwaaiend in het licht van de maan te zien was? Het was een in de wind wapperend stukje vod, aan een waslijntje, bovenop een dak…

En zo kinderen komt er wederom een einde aan een mooi verhaal.’

Ondertussen begrepen de dorpelingen dat deze man spannende verhalen vertelde aan de kinderen en hij dus geen gezant van de graaf kon zijn. Nadien werd de man wijd en zijt bekend als ‘de Sprookjesverteller’ en zou hij nog vele verhalen opschrijven en vertellen. Nu heb jij er twee gelezen, vertel ze verder en gauw zul je weer nieuwe verhalen tegenkomen! Let maar op…



16 Oct 2007, 15:08
De Gele Roos

In een bos stond een huisje, ooit gebouwd door een boswachter. Daar woonde nu een gezin.
De kinderen, een jongen en een meisje, waren zeer blij. Ze konden iedere dag spelen in het bos, samen met de hond en de kat.

Maar…. iemand was niet zo blij en dat was Wik. Wik woonde ergens in het bos. Hij had geen gezin, geen leuke vrienden. Dat was ook niet zo raar, Wik was niet zo aardig voor wie hem tegenkwam, vooral niet voor kinderen. Als zij in de buurt van zijn huisje kwamen dan zei hij dat ze zich weg moesten scheren. Maar ergens, diep in zijn ruwe borst, klopte een eenzaam en kwetsbaar hart.

Hield Wik dan nergens van? Jawel, maar je zou nooit raden waarvan. Hij hield van …. een gedroogde bloem, een gele Roos. Wik bewaarde die in een houten kistje, in een houten kastje, naast zijn houten stoel.
Waarom Wik van een gedroogde gele Roos hield zal ik je vertellen.

In de tijd dat de boswachter het huisje bouwde, was Wik een jonge man. De boswachter had een dochter, een lieve dochter.
Deze boswachtersdochter hield van Wik, en Wik hield van haar. Maar de boswachter wilde niet dat zijn dochter met Wik omging. Want Wik kwam uit een familie die slecht bekend stond in de wijde omgeving. Wik zelf had nooit iets gedaan wat slecht was, hij had alleen hard gewerkt, bomen kappen tot brandhout om de huisjes in de omgeving warm te houden.
De mensen uit de omgeving hadden een lage dunk van hem en dat deed Wik pijn.

Op een dag zei de dochter dat ze Wik niet meer kon zien en gaf hem de Roos, de gele Roos, zo geel als heur haar. De rozensteel was zo groen als haar ogen en zo rank als haar lichaam. De doornen waren zo scherp als de pijn die zij in haar hart voelde.
Waarom kon ze Wik niet meer zien, omdat ze het niet mocht van haar vader? Nee, want ze wist altijd wel een manier om ongemerkt Wik te kunnen zien. Maar de dochter was zo ziek dat ze zou overlijden. Als symbool voor haar liefde gaf ze de Roos.
Toen zij overleed gebeurde er iets wonderlijks, haar liefde voor Wik zocht zich een weg om ongemerkt hier te blijven en verstopte zich in de Roos!
Dit wist niemand, ook Wik niet, al hield hij erg veel van de Roos. Het was het enige wat hem herinnerde aan zijn grote liefde.
Maar had ik wel verteld hoe zij heette? De dochter van de boswachter heette Roos.
Roos hield van rozen. Daarom zag, iedere lente, de tuin prachtig gekleurd van honderden rozen.
Roos hield zo van de bloemen dat ze praatte met hen, ze wist dat ze ook leven, net als wij mensen.
Maar men vond Roos maar dwaas, wie praat nu met rozen, en nog dwazer, wie praatte nu ook met de bomen, de planten, het gras en de dieren!
Maar Roos wist dat alles in het bos leefde, en voelden wat er om hen heen gebeurde.
Zo wist ze ook een weg te vinden om bij Wik te kunnen zijn.
De liefde van Roos had zich verstopt in de gedroogde bloem die Wik in zijn houten kistje bewaarde. Wik hield van de Roos, zoals hij nooit iets anders meer lief zou kunnen hebben.

Je weet dat kinderen nieuwsgierig zijn en graag willen weten wat ze eigenlijk niks aangaat.
Dat ze wel eens in Wik zijn huisje wilde snuffelen, omdat ze wilde weten wat deze norse, en mysterieuze man had te verbergen. Want waarom zouden ze anders nooit vlak bij zijn huisje mogen komen?
En zo gebeurde het. Op een dag toen Wik hout ging kappen voor alle huisjes, want het was nogal koud, gingen ze er binnen.
Weinig bijzonders eigenlijk, meubeltjes, houten meubeltjes. Deze had Wik zelf gemaakt van het hout dat hij zelf gekapt had.
Maar wat was wel bijzonder? Juist, het houten kistje met…. de Roos!
Dat begrepen de kinderen niet. Wat moest deze onaardige man met zo een bloem?
Toen gebeurde het……

De kinderen hadden kleren die wit, van de sneeuw buiten, waren geworden. Maar binnen was het warmer en alstonds smolt de sneeuw. De sneeuw werd water en een druppel viel op de Roos!
Wat er toen gebeurde….. de kinderen zagen Roos …. de dochter van de boswachter!
De kinderen keken naar… een geest! Al was ze wel mooi en niet angstaanjagend, er hing een prachtige witgele gloed om haar heen.
Zij had rozen in heur haar, van alle kleuren. Haar groene ogen hadden een verdrietige blik. Roos vertelde haar verhaal nadat de kinderen bekomen waren van de schrik. Zelfs de hond en de kat konden haar verstaan en luisterden naar het droevig verhaal. Nu begrepen de kinderen waarom deze man, Wik, zo nors was.


Wik kwam bij zijn huisje aan. Koukleumend en wit van de sneeuw, moe van het hout kappen en langs de deuren gaan om de haarden te laten branden van de mensen die verder maar niets van Wik moesten.
Je zult begrijpen dat hij niets liever wilde dan thuis zijn, in zijn eigen houten huisje, bij zijn geliefde, gele Roos.

Maar wat hij zag, toen hij thuis kwam, was iets wat hij nooit verwachtte.
Zijn woede die hij voelde toen hij de twee kinderen en de twee dieren zag… in zijn huisje! Wat hij met ze wilde doen dat willen we niet weten.
Maar toen zag hij… Roos! Roos? Dat, dat, dat kan niet, je bent dood! Ik moet dromen! Want jij bent er niet meer, dit kan niet waar zijn!”
“Wik, jouw herinnering aan mij is hier, al jaren in de gele Roos die ik aan jou gegeven heb. Jarenlang heb je deze liefdevol bewaard en bemind. Je bent mij dus nooit vergeten. Daarom is mijn liefde in de Roos gebleven en heeft een druppel sneeuwwater het doen ontwaken.
Ik heb de kinderen gevraagd de gele Roos te begraven in de tuin van het boswachtershuisje, waar ik hier in het bos heb gewoond, met mijn vader. Ieder jaar zullen er rozen bloeien, van allerlei kleuren.
De kinderen zullen jou dan een gele Roos brengen, die zal bloeien, het gehele jaar door.
En iedereen die in en om het bos woont, die mag een roos plukken.
Wik kon geen woord uitbrengen maar voelde zich weer net zo als in de tijd dat hij en Roos samen waren.
De woede naar de kinderen, en de dieren, was verdwenen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij zich nooit eerder zo gevoeld had. Hij voelde niet alleen de liefde voor Roos maar voor alles, en iedereen!
Roos wist het, en kon zo gerust afscheid nemen. Haar taak was volbracht. “Dag lieve Wik, dag lieve kinderen, dag lieve dieren, dag ieder en alles! Wees lief voor elkaar!

En zo gebeurde het. De Gele Roos werd begraven in de tuin van het huisje. Ieder jaar komen de rozen tot bloei, in alle prachtige kleuren. En iedereen die een roos wil mag er eentje komen plukken.

Wik is een geliefd man nu, in en om het bos. Iedere lente krijgt hij een gele roos van de kinderen en zijn ze welkom in zijn huisje om een kopje chocolademelk te drinken als de winter is aangebroken en de sneeuw op de toppen van de bomen ligt.

Als je ooit in het bos bent wanneer het lente is, en je vindt het boswachtershuisje, kom je dan een roos plukken?